Zó oud ben ik gelukkig nog niet
Ik lees graag en veel, maar de laatste tijd schrik ik nogal eens van een spiegel die mij al lezend voorgehouden wordt. Vaak betreft het niet de hoofdpersoon van het verhaal, want dan ben ik er op voorbereid. Het is altijd een personage dat op slinkse wijze vanuit de zijlijn het verhaal in komt sluipen. Ineens is ie er, die oude vrouw of man die gebukt gaat onder het leed dat men heeft meegemaakt. Om maar te zwijgen van de lichamelijke gebreken. Daar hoef je toch niet van te schrikken, zul je zeggen. Nee, niet als je zelf nog niet zo oud bent, maar ik kan je verzekeren dat het dan echt wel binnenkomt, als je ongeveer dezelfde leeftijd hebt of zelfs iets ouder bent.
Het laatste schrikbarende stukje ging als volgt: ‘Schoenlapper in ruste, zesenzeventig, gekrompen en broos. Zo oud dat-ie de schillenboer, het sardineblikje met bijgeleverde sleutel, het brievenbustouwtje en de opkomst van de diepvrieskip nog had meegemaakt.’ Ja, ja, dacht ik verdrietig, daar hoor ik dus ook bij. Maar, vervolgde ik in gedachte, gelukkig ben ik zo oud nog niet. Ik ben immers pas drieënzeventig. Af en toe moet je jezelf een hart onder de riem steken, toch?
Het citaat is uit de roman ‘De steniging’ van Frénk van der Linden.
Joke van der Ark