11
Ondanks het weten dat voortdurend schrijnt,
zullen ze moeten doorgaan met leven,
niet stilstaan bij wat is achtergebleven,
erop vertrouwen dat de herinnering blijft,
niet toelaten dat die wordt ondermijnd.
Dankzij hun kracht om, al was het maar even
fijne momenten te herbeleven,
raken ze deze niet onherroepelijk kwijt.
In gedachten zien ze hun woning, hun thuis,
de kamer, de kasten met daarin hun spullen,
de keuken, vertrouwenwekkende geuren,
de kasten nog vol allerlei, het fornuis.
Wat zouden ze graag … Tranen, niet te verhullen.
Kon het, och kon het toch maar gebeuren.
12
Kon het, och kon het toch maar gebeuren
dat er een tovenaar kwam die met één spreuk
de situatie kon herstellen. Hoe leuk
zou dat zijn voor al diegenen die treuren
om wat zij moesten verlaten, die alle kleuren
nog weten, de koektrommel, compleet met deuk
heel erg missen, geërfd van een tante die leuk
en gevat was, maar ook behoorlijk kon zeuren.
Ik heb te doen met die mensen, wanneer
ik een foto bekijk waarop zulke spullen
te zien zijn. Wellicht hadden ze nog kort
voor vertrek de trommel in handen, die alweer
leeg was en gedacht: die moeten we vullen,
maar de resterende tijd schiet tekort.